Acker Stratingh en zijn Geologische kaart van Groningen, 1837

Aan het eind van de achttiende eeuw lag de stad Groningen nog binnen de zeventiendeeeuwse verdedigingswerken op het noordelijke uiteinde van de Hondsrug. In die tijd verzamelden Groningers al zwerfstenen en fossielen op de Hondsrug en de Zwitserse geoloog Jean de Lucbeklom in 1778 de Martinitoren om te kijken of hij de berg kon zien waar de zwerfstenen vandaan kwamen. De interesse voor geologie vormde de basis voor vroege geologische karteringen die in 1825 begonnen en resulteerden in de publicatie van een geologische kaart van de provincie Groningen in 1837, de eerste regionale geologische kaart die in Nederland is verschenen.

Lees het hele artikel in het nieuwe nummer van Caert-Thresoor.

 

Kaart van de provincie Groningen met grondsoorten, samengesteld door Grimmius, 1826. (Groninger Archieven).
PROF. DR H.R. REINDERS (1941), is oud-hoogleraar archeologie van Eurazië aan de Rijksuniversiteit Groningen. Van 2002 tot
2006 was hij directeur van het Groninger Instituut voor Archeologie.

Bodel Nijenhuis’ kaarten in context. Onderzoek naar aantekeningen op kaarten uit de collectie van de Universiteitsbibliotheek Leiden

Johannes Tiberius Bodel Nijenhuis (1797-1872) demonstreerde in de negentiende eeuw al het belang van onderzoek naar de historische context van kaarten. Bodel Nijenhuis wordt door de studies die hij publiceerde, gezien als de eerste kaarthistoricus van Nederland en in zijn kaartencollectie, die tegenwoordig in de Universiteitsbibliotheek Leiden wordt bewaard, zijn veel sporen te vinden van zijn onderzoek. De gegevens vinden we in de vorm van handgeschreven aantekeningen. Deze zijn in de marge op de voor- of achterzijde van kaarten geschreven, of op losse briefjes die nog steeds bij kaarten in de collectie worden
bewaard.

Lees het hele artikel in het nieuwe nummer van Caert-Thresoor.

 

Kaart van Vlaanderen door Floris Balthasars met notities in de marge in het handschrift van Bodel Nijenhuis. (Universiteitsbibliotheek Leiden, COLLBN Port 72 N 174).
M. GRIFFIOEN MA (1993) is werkzaam als wetenschappelijk medewerker voor Stichting Historiae Cartographicae Cathedra, verbonden aan de leerstoel Historische Cartografie aan de Universiteit van Amsterdam. Zij werkt binnen het project Maps in Context aan de ontwikkeling en invulling van een webdatabank waarin verbanden tussen oude kaarten en hun historische context worden weergegeven en digitaal ontsloten.

De stippen van Jacob van Deventer

Op de stadsplattegronden van Jacob van Deventer zien we in de straten en op wegen reeksen stippen. Ze duiden meettracés aan, die het frame vormen waaraan de kartograaf de invulling van zijn plattegronden heeft opgehangen. In dit artikel is nagegaan, of het mogelijk is dat de stippen de lengte van een meetketting of -koord aanduiden, dan wel van een aantal stappen.

Lees het hele artikel in het nieuwe nummer van Caert-Thresoor.

 

Jacob van Deventer, Vianen: Nationaal Archief, kaartcollectie Jacob van Deventer, 4.DEF, inv.nr. 1.11.
C.H.M. MOLDERS is lid van Oudheidkundig Genootschap A.W.K Voet van Oudheusden in Culemborg.

Plakkaarten van Francis Allan. Een negentiende-eeuwse uitgave van de firma Vlieger te Amsterdam

In zijn 150-jarig bestaan heeft de Amsterdamse papier-, knutselen hobbywinkel Vlieger tussen ca. 1910 en 1940 een tiental stadsplattegronden van Amsterdam uitgegeven. Er bestaat ook een door Vlieger uitgegeven stratenboekje van Amsterdam, waarvan de gegevens corresponderen met een Vliegerkaart. Opmerkelijker is de uitgave van een serie Aardrijkskundige plakkaarten.

Lees het hele artikel in jaargang 39 (2020), no. 1 van Caert-Thresoor.

 

Puzzel. Op basis van: Aardrijkskundige plakkaarten. 7. Kaart van de provincie Noordbrabant. Amsterdam, Vlieger, [1876]. Collectie Allard Pierson UvA; curiosa cartografica.
DRS R. STORM (1962) werkt vanaf 1989 in de wetenschappelijke bibliotheek, sinds 2014 als conservator kartografie, geografie en reizen bij Allard Pierson | De Collecties van de Universiteit van Amsterdam. Ook is hij redactiesecretaris van het tijdschrift Caert-Thresoor.

Elias Herckmans en zijn kaarten van Chili uit 1643

Een vliegende kraai vangt altijd wat. Op zoek naar de achtergrond van de anonieme kaarten van Valdivia en Castro in Chili die hier en daar in publicaties als illustratie werden gebruikt, trof ik in de Universiteitsbibliotheek van Göttingen twee pareltjes aan. Het ene was een anoniem manuscript met een beschrijving van Chili. Verrassend was dat het in totaal vijf kaarten van Chili bleek te bevatten. De bijvangst bleek een walvis, het originele journaal van de expeditie naar Brazilië en de Cariben in 1603-1605 onder leiding van Paulus van Caerden. De publicatie van het 275 pagina’s tellende journaal is in voorbereiding.

Lees het hele artikel in jaargang 39 (2020), no. 1 van Caert-Thresoor.

 

Den grooten inwijck van Chilué, 1643 (41,5 x 33 cm) door Elias Herckmans. Den Haag, Nationaal Archief, NL-HaNA-1.05.01.01-44.
A.B. BROMMER was werkzaam in de museumwereld en specialiseerde zich in Nederlandse overzeese geschiedenis en kartografie. Bijdragen van haar verschenen in de Grote Atlas van de Oost-Indische Compagnie (deel 3 en 5) en die van de WIC, deel 1.

De Atlas des Enfans (1758-1857). Een Amsterdams aardrijkskundeleerboek met blinde kaarten in tachtig uitgaven

In 1758 publiceerde François Houttuyn in Amsterdam de Geographische Oefening, een klein boekje met een nieuwe methode om kinderen aardrijkskunde – lees topografie – te leren. Dit werk wordt als een van de eerste schoolatlassen beschouwd. Zoals veel leerboeken uit die tijd was de tekst opgebouwd uit vragen en antwoorden, die uit het hoofd geleerd moesten worden. Nieuw was dat het werk was voorzien van 22 kaartjes door Christiaan Sepp waarin alle toponiemen door letters en cijfers waren vervangen. In 1760 is het boekje in het Frans vertaald en uitgegeven door J.H. Schneider met als titel Atlas des Enfans; onder deze titel veroverde de methode Europa. In 99 jaar verschenen meer dan tachtig edities in acht talen: Nederlands, Frans, Russisch, Pools, Duits, Italiaans, Spaans en Portugees. De 22 – later 24 – kaartjes zijn steeds opnieuw nauwkeurig gekopieerd; er zijn 21 sets te onderscheiden. De meeste sets verschillen nauwelijks van elkaar en vormen daarom ook een kartobibliografische ‘nachtmerrie’.

Lees het hele artikel in jaargang 39 (2020), no. 1 van Caert-Thresoor.

 

Wereldkaart uit de Geographische oefening (1758), waarop de leerling zelf de namen van de continenten Europa, Azië en Afrika geschreven heeft (Amsterdam, Allard Pierson UvA, O 61-­815).
DR. P.C.J. VAN DER KROGT (1956) is Jansonius­ conservator bij Allard Pierson, de Collecties van de Universiteit van Amsterdam, en verricht onderzoek in het kader van Explokart.

De Novus Atlas Sinensis van Martini en Blaeu en zijn Chinese bronnen

Atlas Major

Al bijna een eeuw proberen historici de bronnen te identificeren die gebruikt zijn voor de Novus Atlas Sinensis (1655), de allereerste atlas van Oost-Azië die verscheen op de Europese boekenmarkt. De eerste Latijnse editie van deze atlas die in 1655 door Joan Blaeu in Amsterdam werd uitgegeven, bestaat uit zeventien kaarten van Oost-Azië en een 171 bladzijden lange beschrijving van China en de staten daaromheen. Een groot deel van het materiaal was samengesteld door Martino Martini (1614-1661), een Jezuïet die bijna tien jaar als missionaris in China had gewerkt voordat hij in 1650 teruggestuurd werd naar Europa. Deze studie bevestigt een eerder geponeerde stelling, namelijk dat Martini het geografische boek Guang yu ji (Beschrijving van het uitgestrekte territorium) gebruikte bij de samenstelling van zijn Novus Atlas Sinensis, en dat zijn werk ook gerelateerd is aan de in 1644 door Cao Junyi vervaardigde kaart Tianxia jiubian fenye renyi lucheng quantu (Complete kaart van de gebieden, steden en wegen in de Negen Streken onder het Hemels bewind).

 

Dr. M. Cams is Assistant professor in de geschiedenis aan de universiteit van Macau. Hij is de auteur van Companions in Geography: East-West collaboration in the mapping of Qing China. (1685-1735) (Leiden/Boston: Brill, 2017). Zijn huidige onderzoek is vooral gericht op vroege Chinees-Europese contacten en uitwisselingen op kartografisch gebied.
Atlas Major
Titelpagina van het zesde deel van de Atlas Maior van Joan Blaeu, de Novus Atlas Sinensis. Collectie Amsterdam, Allard Pierson de Collecties van de Universiteit van Amsterdam, Atlas Tytel-Print collectie Van Loon, voorl. nr. B-11b.

Dit artikel gaat opnieuw de Chinese bronnen na van de Novus Atlas Sinensis en de context waarin de productie plaatsvond. Te beginnen met Pfister (1932), Duyvendak (1936), Fuchs (1946) en Bernard (1947) hebben historici getracht het bronnenmateriaal van Martini te identificeren door zich op twee aspecten te richten. De eerste daarvan heeft met de kaarten zelf te maken: welke kaarten leverden de basis voor de Novus Atlas Sinensis, en welke methoden werden gebruikt om ze aan het Europese kaartbeeld aan te passen?
Het tweede aspect betreft de tekst van de atlas en de cijfermatige gegevens daarin:

welke bronnen werden gebruikt voor de geografische beschrijvingen van de Chinese provincies? Voordat we deze vragen beantwoorden zullen we nagaan hoe de chronologie van Martini’s levensloop de productie van de atlas mogelijk maakte en beïnvloedde. Daartoe geven we, voordat we apart inzoomen op respectievelijk de kaarten en de tekst van de Novus Atlas Sinensis, eerst een korte biografie van de man die vaak beschouwd wordt als de enige auteur van de Novus Atlas Sinensis, namelijk Martino Martini.

Dit is een voorproef uit jaargang 38 (2019) no. 4 van Caert-Thresoor. De redactie plaatst de inmiddels verschenen afleveringen met een vertraging van 3 jaar op de website.

Grandioos Grensgeval. Nieuw onderzoek naar het zestiende-eeuwse landschap op Pieter Pourbus’ geschilderde kaart van het Brugse Vrije

In het midden van de zestiende Jan Trachet eeuw, net voor het uitbreken van de Tachtigjarige Oorlog, kreeg schilder Pieter Pourbus de opdracht het grondgebied van het Brugse Vrije op kaart te stellen. Het resultaat werd een geschilderde kaart die uniek is op vlak van schaal, accuratesse en detail: een grandioos grensgeval dat balanceert op het raakvlak van schilderkunst en kartografie.

 

Het Brugse haven- en oorlogslandschap

Het raakvlak tussen schilderkunst en kartografie is niet de enige grens waarlangs deze geschilderde kaart balanceert. Ook wat betreft bodemkunde, territorium en periodes bevindt het zich op cesuren van ruimte en tijd. Het schilderij werd gemaakt in opdracht van het Brugse Vrije – de rijke en

 
Dr. J. Trachet is postdoctoraal onderzoeker aan de vakgroep Archeologie van de Universiteit Gent.
De kaart van het Brugse Vrije, geschilderd door Pieter Pourbus tussen 1561 en 1571 (© Lukasweb, Musea Brugge, 322 x 151 cm)

uitgestrekte kasselrij rond Brugge – en verbeeldt een groot deel van het sterk geürbaniseerde Kust-Vlaanderen op het einde van zijn laatmiddeleeuwse hoogtijdagen. Een belangrijke geomorfologische grens die wordt gekadreerd is bijvoorbeeld die tussen de zandstreek in het zuiden, en de ingepolderde kustvlakte in het noorden. De stad Brugge bevindt zich net op het raakvlak van die twee landschappen, hetgeen een bepalende factor werd in zijn ontstaan en groei. Brugge was het kloppend hart van de regio, en de getijstroom van het Zwin de belangrijke levensader die de stad verbond met de Noordzee. Toen de kaart werd besteld in 1561, was de Brugse economie echter al flink gekrompen en de getijdengeul

deels verzand. Terwijl de stad Brugge in die periode veelvuldig kartografisch materiaal liet produceren waarin een misleidend positief beeld van de bereiken bevaarbaarheid van de regio werd gepropageerd, moest de kaart voor het Brugse Vrije vooral een topografisch correcte weergave van het territorium worden. Net na de oplevering van de kaart in 1571, veranderende de situatie echter drastisch: na eeuwenlang gefunctioneerd te hebben als internationale transportas, werd de Zwinregio getransformeerd in een gemilitariseerde frontzone. De getijdengeul ging plots als grens functioneren, fortenlinies werden opgetrokken en dijken werden doorgestoken. De kaart van het Brugse Vrije werd zodoende de laatste getuige van een aaneengesloten Kust-

Dit is een voorproef uit jaargang 38 (2019) no. 1 van Caert-Thresoor. De redactie plaatst de inmiddels verschenen afleveringen met een vertraging van 3 jaar op de website.

Nederlandse namen wereldwijd. Het naamgevingsgedrag van de Nederlandse zeelieden in de zeventiende eeuw

Welke gewoontes hadden de Nederlandse zeelieden bij de naamgeving van de objecten die ze tegenkwamen? Aan de hand van kaarten uit de zeventiende eeuw is nagegaan wat voor soort namen ze gebruikten, in hoeverre ze zelf nieuwe namen gaven dan wel bestaande namen aanpasten aan het Nederlands. Daarnaast is gekeken naar het soort objecten (eilanden, kapen, baaien, plaatsen, etc.) dat ze benoemden op hun kaarten of in hun journalen, en er is ook onderzocht of dat naamgevinggedrag in Europese wateren nu verschillend was van dat daarbuiten.*

 

Bronnen

De belangrijkste bron voor het vaststellen van de keuze van de namen voor buitenlandse objecten in Noord- en West- Europa is de Nieuwe spiegel der zeevaart, door B.C. Damsteegt. Aan de hand van oude kaarten en scheepsjournalen heeft hij de verschillende door Nederlandse zeelui gegeven naamversies van objecten langs de kusten van Noord- en West-Europa nagegaan. Zijn studie is in 1942 uitgegeven als Utrechts proefschrift, en kreeg in 2001 een gewijzigde herdruk. Voor een kleine drieduizend objecten geeft hij de Nederlandse namen, vaak in een aantal spellingsvarianten. Voor het handelsgebied van de Verenigde Oost-Indische Compagnie (VOC) was de door Rob van Diessen heruitgegeven Atlas Amsterdam van Isaac de Graaf, het eerste deel van de Grote Atlas van de Verenigde Oost-Indische Compagnie, de bron. Van de ca. elfduizend op de kaarten in deze atlas aangegeven namen zijn er 1850 Nederlands. Voor Amerika en de westkust van Afrika zijn gegevens ontleend aan

 
Dr F.J. Ormeling is emeritus hoogleraar Kartografie en lid van de Explokart onderzoeksgroep, Bijzondere collecties, Universiteit van Amsterdam.
Kaart der Noordelyke Yszee uit de Atlas behorende tot de Verhandeling van R.G. Bennet en J. van Wijk Roelandsz. wegens de Nederlandse Ontdekkingen (Dordrecht 1829). De oude Nederlandse namen zijn op de kaart bij het juiste te benoemen object geplaatst. Den Haag, Nationaal Archief, 4.VELH_9.

de zeekaarten van Van Keulen en de wandkaarten van De Wit, en voor de hele wereld bestaat er een vroege bron gevormd door de Verhandeling over de Nederlandsche ontdekkingen in Amerika, Australië, de Indiën en de Poollanden en de namen, welke weleer aan dezelve door Nederlanders zijn gegeven, door R.G. Bennet en J. van Wijk. Roeldz. Bennet was gepensioneerd zeeofficier en Van Wijk kostschoolhouder in Hattem, en ook auteur van een bekend aardrijkskundig woordenboek. Samen hadden ze een inzending ingediend op de prijsvraag in 1822 uitgeschreven door het Provinciaal Utrechts Genootschap (PUG) om de Nederlandse inbreng in de ontdekkingsreizen te promoten. Van Wijk heeft daartoe een eerste inventarisatie gemaakt van de door Nederlanders overal ter wereld gegeven namen, en tevens de naamgevers, de datum en de

reden voor de naamgeving achterhaald. En voor die inventarisatie moet hij allerhande scheepsjournalen hebben doorgewerkt. In 1825 werd hen de eerste prijs toegekend, en met ondersteuning van het PUG werd hun winnende inzending in 1827 ook gedrukt en uitgegeven. Een bijzonderheid van hun studie is dat de gevonden Nederlandse namen ook op kaarten werden weergegeven op hun juiste plaats bij de benoemde objecten (zie ook de afbeeldingen 1 en 2); die kaarten waren gedrukt door VanderMaelen in Brussel. Voor zowel Bennet en Van Wijk, Damsteegt als de gefacsimileerde VOC-atlas van Asia Maior geldt dat de namen niet alleen op de kaarten staan, maar ook in registers zijn opgenomen met plaatsaanduiding. Voor de rest van de wereld bestaan alleen Nederlandse zeekaarten en scheepsjournalen als bronnen, waarvan dus nog geen registers

Dit is een voorproef uit jaargang 37 (2018) no. 3 van Caert-Thresoor. De redactie plaatst de inmiddels verschenen afleveringen met een vertraging van 3 jaar op de website.

Zeekaarten als historische bron

Nederland is al vele eeuwen sterk afhankelijk van de zeevaart. Voor de veilige vaart worden sinds de zestiende eeuw zeekaarten gemaakt in ons land. Deze kaarten wijken af van gewone topografische of geografische kaarten, doordat ze elementen bevatten die op andere typen kaarten ontbreken. De belangrijkste zijn de kompasrichtingen, de waterdiepten en de posities van boeien en vuurtorens en andere door mensen neergezette bakens voor zeevaarders; ook hoge gebouwen zoals kerktorens en natuurlijke elementen als heuvels en bergen langs de kust zijn duidelijk aangegeven. Op het water worden veilige vaargeulen naar de haven aangegeven, maar ook gevaren die onder water liggen zoals zandbanken, riffen en scheepswrakken. Op ankerplaatsen en daar waar dit voor de plaatsbepaling nuttig is, wordt vaak de grondsoort van de zeebodem aangegeven. Elementen op het land die op zee geen betekenis hebben, zoals lage bebouwing, wegen, landbouwgebieden en bossen, worden weggelaten. Op een zeekaart is het water vol tekens en symbolen, het land is vooral leeg.

 

Een zeekaart is nooit alleen

Een zeekaart is slechts zelden een zelfstandig document. In bijna alle gevallen hoort bij de kaart een zeemansgids van hetzelfde vaarwater, waarin de veilige routes en koersen, informatie over de plaatselijke getijden en de gevaren voor de navigatie worden beschreven. Voordat er in Noordwest-Europa zeekaarten verschenen, circuleerden in de late vijftiende eeuw al

G.J.D. Wildeman (1960) is verbonden aan Het Scheepvaartmuseum in Amsterdam als conservator zeevaartkunde en bibliotheekcollecties waaronder de kartografie.
Isaac de Graaf. Handschriftkaart op perkament van de Indische Oceaan met de oostkust van Afrika, India en een deel van de westkust van Australië, met verscheidene koerslijnen van schepen.1729. Collectie Het Scheepvaartmuseum, Amsterdam, inventarisnummer: A.0145(127)4.

manuscripten met dergelijke informatie. Deze teksten – en vanaf de zestiende eeuw de gedrukte versies – waren soms voorzien van tekeningen met aanzichten van de kust vanuit zee. Er zijn enkele van deze vroege handschriften bewaard gebleven. De oudste Nederlandse zeekaarten dateren pas uit de eerste helft van de zestiende eeuw. De snelle opkomst van de zeevaart in ons land in de tweede helft van die eeuw betekende dat het belang ervan en daarmee de behoefte aan betere hulpmiddelen opkwam. In 1584- 1585 verscheen met de Spieghel der Zeevaert van Lucas Jansz. Waghenaer een geheel nieuw soort handboek op de markt: de zeeatlas. Deze atlas bevat behalve 46 kaarten ook de tekst van een zeemansgids en een handleiding over de navigatie op zee. Deze combinatie samengebracht in een boekwerk van kaarten, zeemansgids en inleiding in de navigatiekunst bleef in de zeventiende en achttiende eeuw gebruikelijk.

Het merendeel van de zeekaarten dat is overgeleverd uit de periode voor 1800 zijn gedrukte kaarten die oorspronkelijk in een atlas werden gepubliceerd. Er zijn echter uitzonderingen waarbij kaarten in handschrift werden uitgebracht. Dit geldt voor de vaart op Azië, waarbij ze tot de publicatie van de eerste gedrukte zeeatlas van het gebied in 1753, als losse manuscriptkaarten op perkament aan VOC-schepen werden meegegeven.

De firma Van Keulen leverde in de achttiende eeuw ook handschriftkaarten op papier van vaarwaters in het Atlantisch gebied. In de zeventiende- en achttiende eeuw omvatten de Nederlandse zeeatlassen kaarten en beschrijvingen van de gehele wereld. Ze werden samengesteld en gepubliceerd door de grote uitgevershuizen uit die tijd. De meest omvattende Nederlandse zeeatlas was de achttiendeeeuwse Grote Lichtende Zee-fakkel van Van Keulen in Amsterdam.

Dit is een voorproef uit jaargang 36 (2017) no. 4 van Caert-Thresoor. De redactie plaatst de inmiddels verschenen afleveringen met een vertraging van 3 jaar op de website.