Tijdschrift voor de Geschiedenis van de Kartografie in Nederland

Caert-Thresoor homepage

Brieven uit Indië

Aan het Deldens Weekblad, mei t/m december 1948

Eerste tournee kartering West-Borneo

door J.H.W. Meijerink

Bijlage bij: F.J. Ormeling, Brieven uit Indië van John Meijerink. Caert-Thresoor 26, 4.
 

1. Bij de Topografische Dienst
2. Met de Topam naar Borneo
3. Met de "Topam" in Borneo
4. Pontianak, de stad van Sultan Hamid II
5. Mijn tournee-jongen
6. Vertrek uit Pontianak
7. Naar Siloeas
8-9. Brief uit Indië
10. Sambas (II)
11. Een avontuurlijke zeereis
12. Naar Zuidwest-Borneo
13. Kerstmis in de oeloeh
14. Iets over Dajaks
15. Iets over Dajaks (2)

1. Bij de Topografische Dienst

Velen onder u zullen zich nu ongetwijfeld afvragen: "Wat is dat? Wat doet ze?"

Allereerst de vraag: "Wat is dat?" De Topografische Dienst houdt zich bezig met het maken van kaarten, het ontsluieren van onbekende gebieden enz. Wat ze doet, dat is niet zo vlug te zeggen. Dat komt later.

Teneinde u een denkbeeld te kunnen geven wat deze dienst eigenlijk omvat, is het nodig eerst even een samenvatting te geven van de Top.dienst, zoals ze gewoonlijk genoemd wordt. Deze bestaat o.a. uit: a. Het Hoofdkantoor. b. De Triangulatie Brigade, thans Geodetisch Instituut. c. De Fotogrammetrische Brigade. d. De Opnemings Brigade. e. Het Reproductiebedrijf.

a. Het Hoofdkantoor spreekt vanzelf. Daar zitten de kopstukken, die alles beter weten, zoals dat gewoonlijk op een hoofdkantoor gaat.

c. De Fotogrammetrische Brigade is een tak die vooral in de laatste jaren ontzettend sterk is opgekomen. Zij fotograferen de landstreken, zodat de taak van de Triangulatie Brigade veel verlicht wordt, maar toch desalniettemin zwaar blijft. Je kunt immers beter in de lucht zitten dan over bergen en door ravijnen ploeteren.

d. De Opnemings Brigade. Hierover wil ik kort zijn aangezien de bijzonderheden van dat werk mij niet zo erg bekend zijn. In ieder geval werken zij meer in de bewoonde wereld en meten kleinere stukken meer gedetailleerd op.

e. Het Reproductiebedrijf. Iets waar iedere Top. man belang in stelt. Immers wie verzorgt de afwerking van de kaarten die door de opnemers, verkenners en topografen gemaakt zijn? Dat zijn zij die dag in dag uit achter de tekentafels en machines zitten. Deze mensen maken productief wat door anderen opgezocht wordt. Verder zijn er de werkplaatsen, waar kijkers, lenzen, foto- en filmtoestellen gemaakt worden.

U ziet dus wel dat de Topografische Dienst bijna alle takken van de diverse vakken kan gebruiken. Er zijn fotografen, filmoperateurs, loodgieters, zetters, drukkers, boekbinders, tekenaars, administratieve krachten, chauffeurs, chemici enz. Kortom de Top.dienst is een maatschappij op zichzelf.

Maar nu b. De Triangulatie Brigade. De Top. Triangulatie Brigade en het Reproductiebedrijf vormen de beide uiterste van de dienst. Immers wordt in het 2e de laatste hand gelegd aan de voor de maatschappij bestemde kaarten, de z.g. detailbladen, het personeel van de Triangulatie Brigade zet de eerste passen in het dikwijls onbekende en ontoegankelijk gebied, ten einde aan de opnemingsbrigades die tot doel hebben de eigenlijke opneming, het tot in details in kaart brengen van het terrein, de fundamenten te verschaffen waarop zij haar werk kunnen voortzetten en opbouwen.

Het personeel dat de eerste passen doet in het onbekende gebied, dat zijn de verkenners. De verkenners, waartoe ik binnenkort ook hoop te behoren. Zij breken de baan in het nieuwe gebied, zij meten de hoeken, zij schetsen en zij ploeteren en zwoegen door de bossen en ravijnen met regen en zonneschijn.

Ik zal u niet vermoeien met het vertellen van de grondslagen ener meting, 1e is het voor velen te ingewikkeld (hiermede wil ik niet zeggen dat de lezers van het D.W. stommelingen zijn !), 2e is het te saai. Het zij u genoeg dat de Triangulatie Brigade werkt met P (primaire), S (secundaire) en T (tertiaire) punten. Dat vooral aan het bepalen van de P en S punten hoge eisen aan het personeel worden gesteld zal een ieder duidelijk zijn die wel eens aan bergtochten heeft deelgenomen.

Men mag daarbij echter niet vergeten dat naar de door de verkenners te onderzoeken toppen nu niet bepaald gebaande paden lopen, dat menigmaal, wanneer gedacht wordt, dat de top eindelijk bereikt is, na langdurig kappen blijkt dat de eigenlijke top ernaast ligt en gescheiden is door een honderden meters diep ravijn. Hoe dikwijls moet niet door het plotseling invallen van de duisternis of regen overnacht worden tegen de berghellingen, blootgesteld aan regen en wind. Wie denkt er aan hen als het Hoofd van de Dienst gecomplimenteerd wordt met z'n mooie kaarten? Wie denkt er aan hen die, in boomkruinen of op vluchtig bebouwde stellingen van 50 meter en meer, hun peilingen nemen vanuit de vlakte naar juist boven de boomtoppen zichtbare bergtoppen?

Ik sprak zojuist, dat voor het nemen van peilingen een meting opgebouwd wordt. Dit is niet helemaal juist, want in streken waar het door ligging of formatie niet mogelijk is, zoals in de nog in het geheel niet getrianguleerde expeditie-terreinen van Borneo en Nieuw-Guinea, is men aangewezen op de astronomische plaatsbepalingen. Zodanig is dan ook het aanstaande tournee naar Centraal- en West-Borneo dat 8 maanden duurt en in Mei aanvangt.

Tot besluit van deze brief laat ik u hier het volgende versje lezen, hetwelk gemaakt is door het vroegere hoofd van de Triangulatie Brigade, Kolonel L.H.C. Horsting:

Onze verkenners

Als de mooie kaarten prijken
in de kantoren van het land,
denkt niet één aan de Verkenner
leggende de eerste hand.
Aan het werk dat nu voltooid is
dat het oog met recht bekoort,
"Een verkenner?" vraagt verbaasd men
Nóóit heb ik daarvan gehoord.

Het Korps Verkenners werkt in stilte
in de diepste wildernis.
't Trekt door kali's en naar toppen
Ja hen stuit geen hindernis.
met grote ijver en volharding
ploeteren zij steeds onvervaard
Leggend zo in alle stilte
De grondslag voor de mooie kaart.

Als in 't verre kleine Holland
de lintjesregen nederdaalt
en dan menig hoog geplaatste
'n glinsterend sterretje binnenhaalt.
Valt er nooit een enkel drupje,
op 't Verkenners korps z'n pad.
Dat heeft in de rimboe immers
regen steeds genoeg gehad.

2. Met de Topam naar Borneo

Wie is Topam? Wat is Topam?

Topam is de afkorting van Topografische Dienst Amerika. De Nederlands-Indische regering heeft een overeenkomst gesloten met de U.S.A. om de Nederlands-Indische archipel in kaart te brengen. Als enige lichamen die hiervoor beschikbaar waren, werd de zaak overgegeven aan resp. de Topografische Dienst en de Unites States Topographical Service.

Deze 2 werken nu samen. Het personeel van de Fotogrammetrische Brigade verzorgde samen met hun Amerikaanse collega's de luchtkartering. Het grondwerk werd opgedragen aan het Geodetisch Instituut te Bandoeng.

Zo verschenen er dan op 'n goede dag in April honderden kisten op het Instituut met kledinguitrusting en instrumenten. Echt op z'n Amerikaans. Opvouwbare wateremmers, een veldhospitaal was er iets van. Een zo grootscheepse kartering had men nog nooit meegemaakt. Een zo perfecte uitrusting had men nog nooit gehad. Wil je iets hebben? Even naar het kledingmagazijn van de Topam en je hebt het. Van truien tot schoenen, van borden tot zaklantaarns, van 'n rimboestoel tot drukknopen.

Nu het werk van de Topam. Voor de kartering van West-Borneo, (volgend jaar zijn Oost- en Zuid-Borneo aan de beurt!) zijn er 5 teams gevormd: 3 landteams en 2 marineteams. De laatste werken op de eilanden langs de Zuidkust van Borneo. Team 1 waar ik bij ingedeeld ben als assistent, werkt langs de Westkust van Borneo. Dat wil niet zeggen dat we alleen maar kust zien, wij komen evengoed in het centrale gedeelte als de 2 andere teams, maar onze reis bestaat in hoofdzaak uit het telkens opklimmen van de kali's. Om degenen onder u die enigszins op de hoogte zijn met de gesteldheid van dit gebied in te lichten, wil ik reeds nu enkele van de 17 punten die we moeten meten aangeven.

Ons eerste punt is Pontianak. Daar zijn we momenteel bezig. 2. Mempawah, 3. Bengkajang, 4. Singkawang, 5. Sambas, 6. Silioeas, 7. Tg. Datoe, 8. Het eilandje Penebangan, 9. Bt. Sebajan (deze berg ligt pl.m. 125 KM. ten Oosten van Soekadana, in welke plaats ook 'n astronomisch punt (A.S.) is gelegen. 10. Nangamahap, 11. Kendawangan, 12. Matoea, 13. Silat a.d. S. Djelai en als allerlaatste punt de berg Bt. Raja (350 KM. ten O. van Soekadana).

In al deze plaatsen wordt een betonnen pilaar gebouwd, waarvan precies de lengte en de breedte bepaald wordt d.m.v. sterren. Dat hiervoor heel wat instrumenten benodigd zijn laat zich aanzien.

De lengtebepaling geschiedt door het ontvangen van de tijdseinen van de B.B.C., S.E.A.C. of Australië. Hiervoor alleen zijn al nodig: 2e wereldontvangers, 2 sterreklokken (klokken die op sterretijd lopen), 1 chronograaf en 1 stopwatch.

De breedtebepaling. Hiervoor maakt men gebruik van de Astrolabe à Prisme. Dit is een sterrekijker, die 80 maal vergroot, en waarmee men in ieder kwadrant 6 sterren meet.

De tijdsbepaling geschiedt met de Universaal. Dat is 'n kijker zo ingewikkeld, dat je 2 uur nodig hebt om hem op te stellen. Met de berekeningen zal ik u maar niet vermoeien, anders verhuist het D.W. in de vuilnisbak.

Het doel van onze expeditie of liever gezegd tournee is u nu bekend, laten we nu overschakelen naar de afd. Vervoer van de "Topam". Op 1 Mei vertrokken we uit Bandoeng. Per trein. Het oorspronkelijke plan was om een extra Catalina-vliegboot te charteren, doch deze Catalina die speciaal was omgebouwd voor goederenvervoer, is in Celebes verongelukt. Dus nu maar per trein. De Heren van de Topam met hun gevolg, benevens tientallen instrumenten e.d. bezetten een apart compartiment in de trein.

De reis verliep vlot. Smerig van al die walm, de locomotieven worden met hout gestookt, kwamen we in Batavia aan, waar al een auto stond te wachten om het hele kliekje naar de mess v.d. Topografische Dienst te brengen. Nu konden we 'n paar dagen uitrusten werd ons gezegd. Waarvan? We hebben ons gek gepiekerd, maar konden niets vinden waarmee we ons nu zo buitengewoon vermoeid hadden. Toch hebben we het maar geaccepteerd.

Op 4 Mei vertrokken we naar Pontianak met het m.s. "Merauke". Een klein schuitje van maar 800 ton. Hutten waren er niet, dus sliepen we op het voordek onder 'n zeil. Nu, ik kan niets anders zeggen of het was er gezellig. Alles sliep door elkaar, de kapitein, de luitenants, korporaals, schrijvers, spiegelaars, mantri's, djongos en nog 'n paar Indonesische families. 's Ochtends zelf koffie zetten en pap maken, 's middags gebakken aardappelen met kool, die als vracht voor Pontianak met de boot meeging, 's avonds nasi goreng met sajoer.

Gelukkig bleef het weer kalm, behalve de 2e dag toen het volgens ons 'n klein stormpje was. Iedereen ziek, dus geen eten, geen koffie enz. Het bootje ging heel behoorlijk te keer, het zeil lekte en zo nu en dan leek het juist of er in 'n golf het dek wou schoonspoelen, wat tussen haakjes niet helemaal overbodig geweest zou zijn. De 2e stuurman evenwel vertelde ons, dat wat wij voor een kleine storm aanzagen, volgens hem een sterke bries was. Een wonder dat onze oren klapperden bij de gedachte aan een werkelijke kleine storm. Gelukkig kalmeerde Neptunus tegen de avond en toen dan ook een van de luits aan kwam zeilen met een knots van 'n pan nasi goreng ging er 'n geloei op.

Op 5 Mei passeerden we Banka en Billiton, jammer genoeg op grote afstand, zodat ik er geen foto van kon maken. Het zijn behoorlijke eilanden.

De andere dag 's avonds om 6 uur kwam de mond van de Kleine Kapoeas in zicht, maar omdat er slechts 0.70 meter water stond, moesten we voor de bank blijven liggen tot 's ochtends 4 uur. Toen ging het langzaam de rivier op. Aan weerszijden grote moerassen met bomen erin. Het water was nog zo ondiep dat de bodem van de schuit soms gewoon door de modder schuurde.

Langzaam maar zeker naderden we de stad. Tussen de boten, prauwen en kano's waar we moesten meren. Maar … dat ging niet, want er stond nog niet genoeg water. Tegen half 8 ging het zachtjes naar de wal. Telkens peilen, ja hoor het kon precies. Toen we dan ook aan de wal lagen, kon de boot ook niet verder meer gaan, omdat ze rekening moesten houden met eb, want dan heeft er 'n verval plaats van pl.m. 3 meter.

We stapten aan land. Onze eerste voet op Borneo. J.H.W.M.

3. Met de "Topam" in Borneo

Deze keer wil ik het nu eens niet hebben over Borneo maar over de "Topam" zelf. Het werk van de "Topam" dus, het werk van ons.

Zoals ik U reeds geschreven heb, verricht de "Topam" de astronomische plaatsbepalingen in het kader van de Ned.-Amerikaanse karteringsovereenkomst. Daartoe kunnen we in West-Borneo gebruik maken van de astronomische pilaren (voorzover ze er nog staan!), die in 1890 geplaatst werden. Daar het bleek dat deze pilaren, wat zichtbaarheid uit de lucht en nauwkeurigheid van meten betrof, nu niet zo geweldig goed te gebruiken waren, moeten de meeste punten opnieuw gemeten worden. Trouwens op veel punten zijn de pilaren verdwenen, meestal die pilaren die aan de rand van een rivier stonden.

Ons eerste punt was dan Pontianak, en daar zijn we dan nu ook.

Het meten hier is nu niet bepaald een genoegen, dat zult U wel lezen. De eerste meting moet dus beginnen. Tegen een uur of 6 kwam de teamcommandant even waarschuwen dat we zo zouden vertrekken. Ik schoot m'n kleren aan (we lopen hier overdag altijd in ons pendekje), greep m'n spullen, m'n veldfles koffie, en ging naar de wagen. Op naar de plaats van meting, oftewel: "ke pilar" (d.i. Maleis!) wat gewoon naar de pilaar betekent.

Daar aangekomen zet je eerst alles klaar om een tijdsein op te vangen. Dit is vooral nodig om de correctie te bepalen van de sterreklok. Deze geeft n.l. sterretijd aan, en het aantal minuten, of liever gezegd seconden, dat hij per dag voorloopt, wordt tot op 1/100 seconde berekend. Hiertoe wordt via de radio een tijdsein van Greenwich opgevangen. Natuurlijk hebt U allen wel eens gehoord dat er op de radio soms enkele korte fluittoontjes gegeven worden. Meestal 5 korte puntjes. Nu, dat is het tijdsein van Greenwich. Precies de 5e punt geeft het juiste volle uur te Greenwich aan.

Is het verschil in tijd eenmaal bepaald, dan kan met de meting worden begonnen. Hierin bestaat nog verschil. We hebben n.l. 3 soorten metingen: Een tijdsbepaling, een lengtebepaling en een breedtebepaling. Zo alles met elkaar worden er een 80-100 sterren gemeten. met een instrument: "de Universaal". Gebruiken we de Amerikaanse "Pendulum Astrolabe" ook, dan hebben we nog een 40 sterren erbij nodig.

We waren dus rustig aan het meten, onze eerste nacht en zo langzamerhand werd de grond nog moerassiger dan-ie al was. Het water kwam opzetten, want het werd vloed. Binnen het uur stonden we tot onze enkels in het water. U kunt zich voorstellen wat voor mieters geval het is om de hele tijd met een slaperig hoofd in het water te staan. Gelukkig duurt het slechts tot half 12, dan is het weer weg, maar natte voeten heb je toch maar.

Dan duurt het in het gunstigste geval nog tot half 2, voordat je klaar bent. Willen ze ook nog sterren meten in de nanacht, dan ben je bezig tot een uur of 5. Doodmoe kom je dan thuis en kruipt je bed in. Je slaapt tot een uur of negen, dan ben je wakker. Slapen kun je niet meer. Je wast je, eet een beetje en gaat de sterren berekenen die je 's nachts gemeten hebt.

Vooral het berekenen van die Astrolabe-meting is zo fantastisch leuk, omdat je pas na ruim een uur rekenen weet of het goed is ja of nee. Geen wonder dat er wel eens hartelijk gevloekt wordt als je al 9 sterren hebt berekend, waarvan er 3 goed waren, en de 10e weer fout is. Tegen de avond ben je zo ongeveer rijp voor een krankzinnigengesticht.

Nu pas zie ik de reden in waarom we na het tournee een maand verlof krijgen. Het is absoluut noodzakelijk, wil je weer mens worden.

Dit is nu een volle werkdag van ons. Van 19 uur tot 5 uur meten, van 5 tot 9 uur slapen en van 9 tot 18 uur berekenen. Volgens ons wel een behoorlijke dagindeling. De enige kans op lekker uitslapen is dan ook tijdens de reis. Tot ons volgende punt: Mempawah.

J.H.W.M.

4. Pontianak, de stad van Sultan Hamid II

Pontianak, de hoofdstad van West-Borneo, is aan alle zijden omsloten door moerassen, waaruit je 's avonds de nevel ziet opstijgen, wat volgens mij nu niet bepaald de gezondheid bevordert. Toch schijnt het mensdom goed te gedijen, getuige de grote kinderschaar die je hier 's avonds voor de voeten loopt. Meestal Chinese kinderen, want 85% der inwoners zijn water-Chinezen. Ja, water-Chinezen is absoluut het juiste woord, want zowel 's ochtends als 's avonds zie je Chinezen van beiderlei kunne in de modderige slootjes plonzen. Water is er genoeg, want de stad wordt doorkruist door een menigte slootjes, het lijkt wel veel op Giethoorn. Alle huizen zijn hier op palen gebouwd en tussen al deze huizen door beweegt zich het verkeer. Door het grote verval van de Kapoeas Ketjil (Kleine Kapoeas) liggen 's middags de meeste slootjes droog, terwijl 's avonds de halve stad blank staat. Als er zeer hoge waterstand is, staat het lichtbruine vocht soms tot de trap naar de 1e verdieping.

Het is anders een fantastisch gezicht 's avonds vanuit ons hotel al die lichtjes voorbij te zien varen.

Over het algemeen is de bevolking, zowel Chinezen als Javanen, erg Nederlands gezind, want op ieder schuitje wappert de Nederlandse driekleur, die hier trouwens in iedere toko te krijgen is (maar f.2,50 zo'n klein vlaggetje). Ook nu met het feest van het eenjarig bestaan van de zelfstandige staat West-Borneo, staat op de erebogen links de vlag van de negara, rechts die van de Sultan en middenin, boven de twee andere, het rood, wit en blauw. Zoiets doet je goed, als je ziet dat de gehechtheid aan de vaderlandse driekleur er hier zo inzit.

Er zijn hier drie bioscopen. Een Chinese, een Indonesische en een Hollandse. Om de 3 dagen draait er in elke bios een andere film en al is het voorprogramma dan ook uit de jare nul, de hoofdfilm is uit de laatste tijd.

Pontianak is wat handel betreft geheel op Singapore georiënteerd. Maar wie nu denkt dat het hier dus goedkoper is dan in Bandoeng of Batavia, komt bedrogen uit, want het is hier zelfs nog duurder. Fruit is hier ook behoorlijk duur. Voor een kilo djeroeks ('n soort sinaasappel) die in Bandoeng f.1,50 kost, tel je hier met een heel ernstig gezicht f.10,- neer. Daarentegen zijn de ananassen goedkoop: 7 voor één gulden. Het spreekt natuurlijk vanzelf dat we de hele dag ananas eten.

Bij onze aankomst hier in Pontianak bleek het dat ze nog nooit K.L.-militairen [Koninklijke Landmacht] hadden gezien. Iedereen gaapte met open mond de jongens van de L.C.M.'s (landingsboten) aan. Komen die knapen bij de bioscoop dan wordt er voor hen ruimte gemaakt. Even heeft het me wel gespeten dat ik nu bij het K.N.I.L. ben. Nu loop je ook nog veel voordeeltjes mis, dat blijkt hier wel uit.

In tegenstelling tot andere plaatsen zie je hier in het geheel geen bedelaars, terwijl toch de levensstandaard aanmerkelijk duurder is. Volgens mij ligt de oorzaak hierin, dat het bestuur van de stad eventuele bedelaars op een behoorlijke manier aan het werk zet.

De verbinding met de buitenwereld wordt gevormd door een Catalina-vliegboot, die hier 3 keer per week verschijnt, en een wekelijkse K.P.M.-boot. Alleen is het jammer dat de Catalina, die Donderdags komt, het vertikt om post mee te brengen. Die komt er alleen Dinsdags en Zaterdags. Maar je verlangt doorgaans Dinsdagsavonds alweer naar Zaterdag, naar de volgende post.

J.H.W.M.

5. Mijn tournee-jongen

Deze keer wil ik eens schrijven over m'n tournee-jongen. Hij heet Djoedjoe (breek er uw tong niet over!) en is een kruising tussen een Javaan en een Soendanees.

Tournee-jongen is eigenlijk hetzelfde als djongos maar met dit verschil, dat de eerste recht heeft op kleding van de dienst en de djongos niet. Zo is Djoedjoe dan ook reeds gepromoveerd tot tournee-jongen. Voordat ik vertrok uit Bandoeng heb ik hem aangenomen. Een bedeesd ventje, zo ongeveer een jaar of 24, getrouwd en volgens hem kunnende koken en wassen. Ja, hij kon het! Hij vertelde dat tenminste, maar niettegenstaande zijn positieve beweringen, stond ik er wel heel erg sceptisch tegenover, want dat zeggen ze allemaal. Och ja, hun eigen potje, maar dat is natuurlijk niet voldoende. Afijn, ik nam hem dan toch maar aan. Zijn eerlijke gezicht boezemde me wel vertrouwen in. Alles ging goed, prima zelfs, totdat we op zee kwamen. In plaats dat Djoedjoe zijn baas koffie bracht, ging de baas zijn knechtje een kop koffie brengen. Tenslotte ook eens niet erg, want evengoed als Djoedjoe mij nodig heeft, heb ik hem nodig.

Bij aankomst in Pontianak evenwel moest ik m'n mening over hem helemaal herzien, want wat hij daar ten toon spreidde deed m'n oren klepperen.

Nadat de kamer ingericht was, we slapen hier in een hotel zoals u wel weet, tippelde ik de stad in. Overal snuffelen, loeren enz., afijn, zoals dat gewoonlijk gaat in een vreemde stad. Het gevolg was dan ook, dat ik te laat was voor het eten. De pan was letterlijk leeggeschraapt. Naar de kamer om Djoedjoe te roepen. Laat daar nu m'n portie staan! Een bordje soep, 'n bord stamppot en pudding met een glas thee ernaast. Mes, lepel en vork naast m'n bord. Een keteltje thee stond ook al klaar, terwijl Djoedjoe met een gezicht alsof dit alledaags werk voor hem was door de kamer rondscharrelde. Overbodig te zeggen dat m'n achting voor hem met het uur steeg.

Tegen 6 uur 's avonds stond Djoedjoe ineens weer voor me. "Wilt u koffie hebben, mijnheer!" Hij had n.l. gehoord dat we 's nachts zouden werken. Ik gaf hem m'n veldfles mee met de boodschap, geen suiker, geen melk en sterke koffie. Ik dacht: dat kan-ie ook wel. Even daarna kreeg ik het, maar 's avonds tegen 10 uur toen ik 'n slok wou nemen, was het alsof ik 'n klap in m'n gezicht kreeg. Zoiets had ik nog nooit geproefd. Bitter! Nee, dat is nog te zacht uitgedrukt. Ik vermoedde dat hij 1 deel koffie op 2 delen water genomen had om me wakker te houden. Nu het is hem ook gelukt, hoor. Ik heb de koffie door m'n keelgat kunnen wringen, maar toen ik 's ochtends tegen half 5 m'n bed in kroop, heb ik tot 7 uur wakker gelegen en ben toen maar weer m'n bed uit gegaan. Nauwelijks had ik 'n been onder de klamboe uit, of de deur ging open en daar kwam Djoedjoe met … koffie. Wilt u wel geloven dat ik geen koffie meer kon zien; ik was doodmoe, slaperig, barstte van de hoofdpijn en vertelde hem dan ook in 'n paar krachtige woorden dat hij … (gecensureerd!). Hij verdween dan ook ijlings en waarachtig, even daarna had ik 'n kop heerlijke thee voor m'n neus staan.

Alleen kom ik tegenwoordig ontstellend veel sigaretten tekort, want Djoedjoe ploft even hard als z'n baas. Maar ja, voor wat hoort wat. Daartegenover staat, dat hij aan alles kan komen. Heb ik trek in melk, even 'n kik en 3 minuten erna staat 'n busje gecondenseerde melk voor m'n neus. Als het aan Djoedjoe ligt kom ik moddervet in Bandoeng terug. Ik heb het wel getroffen.

J.H.W.M.

6. Vertrek uit Pontianak

De meting in P'anak klopte. De waarnemerstenten en de instrumenten waren opgeborgen, de voeding voor 2 maand was aanwezig en nu zouden we vertrekken naar ons 2e station: Mempawah.

De 8ste Juni om 4 uur waren we al aan het inladen, want om half 6 moesten we vertrekken, daar het water dan nog juist hoog genoeg was om over de modderbanken te komen, die er voor de kust lagen. Eindelijk was het sein van vertrek er en we voeren weg, nagewuifd door het vaste personeel van de goedang dat achterbleef.

Bij de pont hadden zich al veel mensen verzameld om ons uitgeleide te doen. Vrienden en vriendinnen van de 2 luitenants, mijn kameraad en mij. Nu zaten we er pas een maand en al zoveel vrienden en kennissen. De Commissaris van Politie stond er ook met zijn geel geschilderd jeepje en toeterde er lustig op los. Heel anders dan in Bandoeng. Daar moest wat gebeuren om eens bij een burger op bezoek te komen. Hier in Pontianak hadden we aan een dag niet genoeg om van allen afscheid te nemen.

Langzaam voeren we verder, de zee tegemoet, die we in de verte al konden zien liggen. Jammer dat het me nooit zal lukken een foto te nemen van ons "convooi", want ik moet er altijd zelf opzitten. Het moet anders een prachtig gezicht zijn. Voorop de L.C.M. (een landingsboot) en daarachter 2 motorboten: de "Topam 2" en de "Topam 5".

De zee was kalm en rustig gleden de boten over het spiegelgladde water. De reis zou een goede 7 uur in beslag nemen, zodat we maar begonnen met de bladen, kranten en tijdschriften door te werken die we in ontzettende massa's meegekregen hadden. Tegen half één kregen we de Soengai Mapawah in zicht. De stad Mempawah zelf lag nog 'n half uur varen de rivier op. Maar het binnenvaren was er niet bij. Ook voor deze kali lag 'n modderbank en omdat het eb was draaiden de schroeven van de L.C.M., die toch maar 1.50 meter diepgang had, lustig in de modder rond. Hier was het dat ik uitgleed en in de vieze grijze drab plonsde. Toen ik er stond (tot m'n nek!) vroeg de luitenant me meteen even te kijken hoeveel water de schroef van de motorboot nog over had. Alhoewel ik hem geweldig kneep voor 'n haai, dook ik toch nog maar weer eens onder. Nog 30 cM. water hadden we, dus konden we proberen de stad per motorboot te bereiken.

Het woord stad is wel zwaar overdreven, want als er 40 huizen staan (kamponghuisjes inbegrepen) dan is het veel. Gelukkig troffen we een leegstaand huis iets buiten het plaatsje. Vroeger waarschijnlijk de woning van de tangsi-commandant. Toen tegen 5 uur de L.C.M. aan kwam varen, hadden wij ons al behoorlijk geïnstalleerd.

Hier in Mempawah hebben we gewerkt tot de 14de Juni. Op die datum vertrokken we naar ons derde station: Singkawang. Deze plaats heeft mijn verwachtingen geheel en al overtroffen. Veel schoner dan Pontianak, veel mooier en veel moderner opgezet. De straten zijn hier pl.m. 6 tot 10 meter breed, enkele zelfs 15 meter. Wat me wel opviel is, dat het hier stikt van de bussen. Overal rijden ze van hieruit naartoe: Pontianak, Mempawah, Benkajang, Sambas enz. Maar je kunt wel goed zien dat de wegen hier nog slechter zijn dan op Java in die goeie ouwe tijd, want de busjes hangen aan elkaar, vastgehouden met touw, ijzerdraad en spijkers. Van de 100 wegen zouden er in Holland minstens 99 afgekeurd worden. Prachtkarren zijn er anders bij. Zonder kap en bovenstuk, geen spatborden. Treeplanken kennen ze niet, enz. enz. Maar volgens mij brengt dit contrast van auto's uit 1900 en moderne huizen juist de afwisseling.

In Singkawang lagen we in een officierswoning naast de tangsi. We troffen het wel, dat er telkens een of andere woning leeg stond, want dat is beter liggen dan in een tent. Hier in Singkawang waren we vlug afgemeten, direct de 2e avond al. Zodoende gingen luitenant Doup en ik met een paar koelies door naar Benkajang. En hier zit ik momenteel.

De weg Singkawang-Benkajang is precies zoiets als dat weggetje bij de sluis waar de Canadezen tijdens de bevrijding overheen getrokken waren, met dit verschil, dat de modder hier uit keiharde grond bestaat en door bergen gaat.

Benkajang zelf is één straat, met Chinese en Dajakse toko's. Zelfs is hier nog een missiestatie met 3 pastoors die pl.m. 400 KM2 te verzorgen hebben.

Veel is hier niet te beleven, maar wel is het hier heerlijk rustig. Veel prettiger werken dan in een grotere plaats. De meting is weer bijna klaar. Morgen gaan we hoogstwaarschijnlijk naar Siloeas. Eerst 8 uur in een auto, dan 3 dagen lopen. Tot de volgende keer!

J.H.W.M.

7. Naar Siloeas

Zondagsochtends waren we dan per auto naar Singkawang teruggekeerd om de nodige vivres en uitrusting op te halen, die wij bij onze tocht naar Siloeas nodig zouden hebben. Nu, dat was vlug gebeurd en we konden dan ook de andere ochtend vertrekken. In het begin ging het bijzonder vlot, tot half weg. Daar begon de ellende. Het is me nu nog 'n raadsel dat de wagen er gekomen is. Meestal ging de weg zo steil omhoog of naar beneden, dat we ons met beide handen moesten vasthouden om er niet uit te vallen. Maar ondanks alle ellende van stoten, hobbelen en vallen genoten we toch telkens opnieuw van de steeds wisselende natuur. Afwisseling was er genoeg. Alleen het gesteente al. Hier was de grond knalrood, 100 meter verder geel, daar weer bruin en ginds weer gitzwart. Wie zoiets op een schilderij of plaat zou zien, zou het niet kunnen geloven. Zoiets dergelijks moet je met eigen ogen gezien hebben.

Na 10 uur gehobbeld te hebben over een van Borneo's autowegen kwamen we in Sanggan aan. Dat we hier aan de rand der bewoonde wereld stonden bleek ons al gauw, want toen de luitenant naar de weg naar Siloeas vroeg, wezen ze ons op een pad waar een koe moeite mee zou hebben om er overheen te komen. In ieder geval konden we overnachten bij het kleine garnizoentje wat daar lag. (Op de uiterste bewoonde plaatsen is een marsbivak van het garnizoen uit Singkawang. Zo'n marsbivak bestaat uit pl.m. 12 man.) Het voorgalerijtje werd ontruimd en er was tampat om te slapen.

Sanggan zelf bestaat uit 14 woningen. Ik heb ze zelf geteld. Er wonen hoofdzakelijk Chinezen, die druk profiteren van de ruilhandel met de Dajaks.

Bij het kamponghoofd werden 50 draagkoelie's besteld voor de volgende ochtend. We hadden er maar 30 nodig, maar uit de practijk blijkt dat je altijd zo ongeveer het dubbele moet vragen. De volgende ochtend waren er dan ook prompt zegge en schrijve 19 man. De Kapala Kampong beweerde dat deze mensen 's nachts om 2 uur al gekomen waren, maar als we 'één sigaret roken' wilden wachten dan waren er absoluut meer [hij bedoelde tot aan de volgende rookpauze!]. We hebben gewacht, hoor, en niet één maar wel 5-6 sigaretten gerookt. Toen kwamen er 3 bij. De luitenant besloot om niet langer te wachten, zodat we vertrokken.

Wat deze mensen kunnen dragen, grenst aan het ongelooflijke. Over het algemeen zijn de Dajaks klein, zo om de 1½ meter, maar ze dragen met gemak 30 kilo en dat niet gedurende een paar uur, maar 8-12 uur achtereen.

Toen we zo'n uurtje getippeld hadden, zagen we een 10-tal Dajaks aankomen, ons met belangstellende blikken bekijkend, maar ze zeiden alleen: Goedendag. Natuurlijk niet in het Nederlands, maar in een van de vele Dajakse brabbeltaaltjes. Later hoorden we van een van de draagkoelies die Maleis sprak, dat deze mensen door ons besteld waren en nu maar weer de 40 'kilo' (kilometer) terug gingen naar huis. Tevens zei hij dat we, als we geluk hadden, halfweg de houtauto konden opvangen. Er bleek zelfs een weg te zijn die door de Jappen aangelegd was. Dus verder. Geen droog draadje meer aan ons lijf. De thee gloeiendheet in je veldfles. Hoe dat kan snap ik nu nog niet. De zon brandde gloeiend op die schoongebrande bergkam. Nu zal ik u maar niet teveel vermoeien met de verdere wandeling, want U zult ook wel geen koude thee met ijs bij de hand hebben vermoed ik.

In ieder geval de auto kregen we te pakken. Alles werd ingeladen. De luit nam de klok op z'n knieën en ik het meetinstrument en we startten. Was de weg naar Sanggan slecht geweest, deze weg is niet te beschrijven. Een en al modderpoel. 4 Dajaks zaten op de wagen of beter gezegd liepen er voor, om telkens hout voor de wielen te gooien, want anders zakte hij helemaal weg.

Maar ook daaraan kwam een einde. Opeens zagen we 3 huizen en … we waren in Siloeas. In die huizen wonen Chinezen. De auto vervoert hout naar de kali die hier langs stroomt en 1 maal per 4 maand komt er een Nirub-boot met veel pijn en moeite om het hout op te halen. En alleen in de droge tijd, want in de natte moesson is de weg noch te berijden noch te belopen.

J.H.W.M.

8-9. Brief uit Indië

Het laatst ben ik gebleven, dat wij in Siloeas aankwamen. Hoe het eruit ziet weet u. Een ding heb ik u nog vergeten te vertellen, n.l. dat er ook nog 'n
kali was. Een grote kali met bijzondere attractie nog wel. Er zaten krokodillen in. We kwamen in Siloeas aan, eerst de zaak natuurlijk regelen en toen zouden we ons gaan mandiën. De kali was de enige plaats, dus naar de kali. Een tweetal Chinezen (weet u wel, dat 'watersoort'!) ploeterden reeds in de modder rond. De Kapala Kampong bood ons zijn zeep aan, doch dat accepteerden we maar niet, want wij puilden uit van de zeep.

Rustig ploeterden we rond totdat de luitenant opeens 'n brul gaf en als 'n razende naar de wal zwom. Ik natuurlijk ook. Op de wal keek ik … en laat daar nu zo'n lekker beest rustig door de bocht drijven. Alhoewel ik in principe een ontzettende hekel heb aan dergelijk ongedierte, moet ik toch zeggen dat hij de binnenbocht prachtig nam en nog wel zonder "beentje over". De Kapala Kampong kwam naar ons toe en verzekerde ons dat die beesten nog nooit iemand gebeten hadden en dat ze geen mensen aten. Ik vroeg hem nog of ze dat beloofd hadden, maar hij antwoordde dat ze genoeg wild vingen, dat aan de kali-kant kwam drinken. Nu om u eerlijk de waarheid te zeggen, hij heeft gelijk gehad, want we zijn nadien nog vaak wezen zwemmen, maar ze lusten ons schijnbaar niet.

Overigens hebben we ons niet verveeld tijdens ons verblijf in Siloeas. Een prachtige natuur en veel wild. Jammer was het dat die moerasdampen, die 's avonds in het oerwoud afwisselend opkwamen, ons het meten onmogelijk maakten. Maar ook dat ging goed op de zesde dag. De volgende dag vlug alles berekenen en juist zei de luitenant dat de zaak klopte als 'n bus of 'n Dajak kwam ons vertellen dat er 'n motorboot aan kwam. Wij naar de kali! Ja, we konden hem duidelijk horen in Noordelijke richting, terwijl als het goed was, hij uit Zuid-Oostelijke richting moest komen. Dat is hier trouwens ook zo eigenaardig, later bleek dat ze toen niet meer dan 800 meter van ons af zaten. Die kali's kronkelen zich in zoveel ontelbare bochten, dat je tenslotte alle gevoel voor richting kwijt bent en alleen aan de zon kunt zien hoe je nu wel vaart. Afijn, na 'n half uurtje was de Topam-5 bij ons. De arme kerels hadden er drie dagen over gedaan, terwijl die motorboten 15-17 mijl per uur lopen en dat bij een gemiddelde vaartijd van 10 uur per dag.

De 2 leden van de "bemanning" (jongens van de L.C.M.) vertelden dat ze eerst 1½ dag gevaren hadden met de L.C.M., totdat die voor een zandbank in de kali niet verder kon. Toen waren ze met de 2 Topam-motorboten verder gegaan. Zij met z'n beiden op de Topam-5 en 3 man Indonesisch personeel op de Topam-2. Het was een tocht geweest met hindernissen. De beide boten hadden wel 80 pennen verspeeld. (Dat dient ook nog even een verklaring. Als n.l. de stang van de schroef tegen iets aanstoot, dan breekt er 'n pennetje, dat verhindert dat de schroef zelf afknapt). Na 8 uur gaf de Topam-2 het dan ook al op. De kali lag vol boomstammen en de meeste bevonden zich onder water. Later bleek ons dat de KNIL tijdens de inval van de Jappen veel van deze bomen had laten vallen om zodoende hun het oprukken met motorboten te verhinderen.

De 2 schippers kwamen tot de conclusie dat al onze barang veel te zwaar was voor de boot. Tenslotte zou ik met alle instrumenten en de klok met de boot gaan, terwijl de luitenant met de zware barang, zoals schrijfmachine, voeding, weer te voet naar Sanggan zou terugkeren en dan via Benkajang, Singkawang ook naar Sambas zou komen. 's Ochtends vroeg vertrokken we nagewuifd door de luit. Maar we waren nog geen 10 meter weg of … pats! Alweer een pinnetje kapot. Dan was het zaak om de boot recht te houden, zodat hij niet door de sterke stroom tegen de vele boomtakken zou worden aangeduwd.

Zo ploeterden we voort. Wie van u nu denkt dat we veel dieren gezien hebben is ernaast. Tijdens de reis maakte de motor zoveel kabaal, dat we nog geen vogel te zien kregen. Alleen tegen de avond toen we aan de kant stil lagen om te overnachten, barstte de zaak rondom ons heen los. Een geschreeuw en gekrijs waar je stapelgek van werd. De hele dierenwereld scheen ons van de plaats te willen verjagen. Niemand van ons kon dan ook slapen. Tenslotte stelde Henk voor om de radio aan te zetten. We hebben n.l. een rimboe-radio bij ons om de tijdseinen op te vangen. Dat was 'n idee. Maar na lang zoeken bleek de antenne er niet te zijn en met dat staafje wat bovenop zit, haal je niets.

Goede raad was duur. Gelukkig brachten een aantal lege blikken ons op een idee. Als we die nu op het zeildoeken dak van de motorboot stapelden met een deken eronder en aan dat gevalletje de antenne bevestigden, dan moesten we muziek krijgen.

En we kregen muziek! Gelukkig was die krijsende bende verdwenen, toen ze zagen dat we nog geen aanstalten maakten om te vertrekken. Heerlijk was het toen daar diep in de rimboe. De stilte, slechts nu en dan verbroken door het fluiten van een vogel. Het maantje scheen in het water, dat zich zachtjes rimpelde. Is het een wonder dat we toen eens zoveel dachten aan allen die ons dierbaar waren.

Doch tenslotte kreeg toch de slaap de overhand. De radio werd uitgeschakeld, we wikkelden ons in de dekens en gingen slapen op de bodem van het bootje.

Tegen half 11 werden we de volgende ochtend wakker. Er moesten zelfs 2 horloges aan te pas komen om ons te doen geloven dat het werkelijk zo laat was. Vlug maar op weg. Maar na een uurtje varen kwam de grote pech. De motor sloeg af en de boot voer hoog op een boom. Daar zaten we. Het water was te diep om te staan, waar trouwens niemand idee in gehad zou hebben. Eindelijk na meer dan een half uur trekken en duwen was het vaartuig weer vlot.

Zo ging het toen verder, de boot was lek en de motor haperde zo nu en dan. Tegen de avond zagen we de L.C.M. liggen. Een pak van ons hart. Diezelfde avond hebben we gegeten als wolven. We waren gewoon uitgehongerd.

's Nachts beleefden we nog een sensatie, doordat de een of andere boom omviel. Precies een mitrailleur. De hele zaak schrok wakker, wapende zich, en de boordlichten werden gedoofd. Na 10 minuten weer hetzelfde. Naderhand beseften we dat hij eerst moet zijn blijven steken en later verder gevallen is. Toch was het een angstig moment en we wisten zelf niet waar we aan toe waren. Alles bleef echter rustig, zodat we maar weer naar bed gingen, maar van slapen kwam niets meer.

We vertrokken dan ook al om 6 uur, iets wat voor hier behoorlijk vroeg is. Toen begon de saaie tocht op de L.C.M. Ja, saai, want iedere bocht lijkt op de andere. Daar is nu werkelijk niets over te vertellen. Maar we waren blij dat we Sambas in zicht hadden.

10. Sambas (II)

Zoals u weet waren we in Sambas. De boot meerde, we stapten aan land en gingen naar "het huis" waar de Topam woonde. Verstopte is eigenlijk beter want het was zo groot, dat je er in verdwaalde. Het zag er nu wel niet bepaald mooi uit, maar voor ons is natuurlijk alles al goed, als het maar bewoonbaar is. De hele 'familie' liep met mij mee en vertelde verhalen over 'het Huis': 17 kamers, stromend water enz. enz.

Vol verwachting stapte ik de galerij op, liep de gang in en opende de 2e deur rechts. Deze kamer zou voor mij bestemd zijn. En ja hoor, hij was het ook. In de haast om binnen te komen, zag ik te laat de vermolmde vloer met al 'n groot gat erin. Met enig geruis, wat vergaan hout nu eenmaal maakt, dook ik het gat in.

Nu is het geluk dat de huizen hier alle op palen zijn gebouwd, zodat ik via de blubberige massa weer naar voren kroop, waar ik met gejuich ontvangen werd. Gelukkig was ik de enige niet die op deze manier de stevigheid van de vloer had onderzocht.

Het huis zelf stond aan de waterkant, want evenals in Pontianak en de andere plaatsen, wordt ook Sambas in 2 stukken gesplitst door een kali. Een hele nette kali overigens. De beide stadshelften zijn verbonden door een brug van respectabele afmetingen, waarbij de Bentelosebrug in het niet zinkt. De bevolking bestaat naast Chinezen en Indonesiërs uit 4 Nederlanders, de paters en zusters niet meegerekend.

Na een paar dagen voelde ik me koortsachtig. De mogelijkheid van malaria was niet uitgesloten, overpeinsde ik. Wat doe je in zo'n geval? Even naar de dokter heen.

Had ik me maar niet met hem ingelaten, dan was mij veel ellende bespaard gebleven. Met een bloeddorstig gezicht ontfutselde hij bloed bij mij, onderzocht het en zei dat hij me er wel even vanaf zou helpen (van die malaria!). Prompt kreeg ik een kinine-injectie in m'n linkerdijbeen, dat ook prompt na een half uur helemaal stijf was. Deze operatie herhaalde zich de volgende dag met m'n rechterbeen. Resultaat idem. Gelukkig verdween de stijfheid in m'n linkerbeen al gauw, maar met het rechter was het zo mis als maar enigszins kon. Het bleef niet alleen stijf, neen het werd dikker en dikker en tenslotte had het zulke respectabele afmetingen, dat een olifant er jaloers op zou zijn geworden.

Toen ons team vertrok, besloot de dokter mij op te nemen in het ziekenhuis tot de anderen op de terugweg mij naar Pontianak konden meenemen. Nu eerlijk gezegd heb ik het in het ziekenhuis wel naar m'n zin gehad. Ik lag 1e klas, de verzorging was uitstekend en het was er gezellig (dat ik op de vrouwenafdeling lag, heeft hier niets mee uit te staan!). Wat ook heerlijk was, waren de kippepootjes, 's ochtends twee en 's avonds twee.

Ik zal er zo'n week gelegen hebben, toen opeens om 11 uur 's ochtends de dokter kwam en zei dat de L.C.M. plus leden van het team in Pamangkat waren aangekomen en daar op mij wachtten. Om 2 uur ging er een bus en daarin kon ik mee naar Pamangkat. Alles werd ingepakt, er werd opgebeld en om kwart voor twee stond er een bus voor het ziekenhuis. Ik kon zitten op een lange bank en mijn been werd door deskundigen in een laken gebonden en dat boven in de bus vastgemaakt, zodat het hing en niet zou stoten (Attentie, leden der Transportcolonne!!). En heus in het begin leek het nog wel iets, maar later viel het heus niet mee. Het been stootte niet, maar ik zelf des te meer, zodat tenslotte het laken maar afgeknoopt werd.

Dat is anders iets, zo'n autobusreis. Bij ieder huis of bouwval wordt gestopt en langdurig getoeterd. 'n Claxon was er niet, maar wel zo'n speelgoed trompetje. Toen tenslotte alles volgepropt zat, bleek dat er bovenop het vehikel ook nog wel plaats was en daar ging ook een vijf man op zitten. Met koeien van letters staat er op 12 personen, maar er zaten 37 personen in, onder en op. Zo ging het dan voort, Pamangkat-waarts. Iedere 10 minuten kookte de lekke radiator en moest-ie gevuld worden. Het viel me nog mee dat we er gekomen zijn. De laatste 20 K.M. ging door grote klappertuinen (klappers zijn cocosnoten). Honderdduizenden klapperbomen en hier en daar primitieve klapperfabriekjes. Heel in de verte lag Pamangkat.

J.H.W.M.

11. Een avontuurlijke zeereis

Pamangkat was dus bereikt. Wie zich nu voorstelt dat het een snertplaatsje is, komt bedrogen uit. Immers hier heersen de smokkelaars, die een levendige handel voeren met soortgenoten in Singapore. Bij het doorrijden ziet men dan ook allerlei lugubere type's, die men liever overdag dan 's avonds ontmoet. Hier in Pamangkat is alles te koop: parfums, nylons, penicilline, enz. Natuurlijk alleen voor grof geld.

In de haven lag al een motorboot gereed om me naar de L.C.M. te brengen, die buiten lag. De zee was tamelijk ruw, zodat de kop van de boot geregeld in de golven verdween. Eindelijk met veel zwoegen was de boot bereikt. De motorboot werd aan z'n collega gebonden en achteraan de L.C.M. vastgemaakt.

Zo gingen we op weg. Er werd al druk uitgerekend, wanneer we ongeveer in Pontianak konden zijn, toen de zee nog ruwer werd. We waren n.l. nu achter de landtong vandaan en kwamen in volle zee. De beide motorboten die ongeveer 2 meter achter de L.C.M. lagen, dreigden te pletter te slaan. Snel werden ze gevierd tot op 10 meter, doch nu sloegen de golven eroverheen. Zo ging het niet. Snel werden de touwen gekapt en we gingen terug. Nu voeren de 2 motorboten op eigen kracht. Telkens leek het of ze verdwenen in de golven. Terug in Pamangkat werd besloten ze achter te laten, later wanneer de zee kalmer was kon een andere L.C.M. ze vanuit Pontianak wel ophalen. We vertrokken weer opnieuw. Inmiddels was het donker geworden en de boot werd heen en weer geslingerd. We voelden nu precies wat die invasietroepen meegemaakt hadden, immers zij hadden ook in zo'n schuitje gezeten.

Tegen middernacht werd de zee iets kalmer en we konden nu met een snelheid van 15 mijl verder varen, Pontianak-waarts. Maar er moest nog wat gebeuren voordat we er waren. Om 3 uur in den morgen schreeuwde de man die uitkeek: "Stoppen! Terug!" Terstonds stopten de motoren en draaiden terug. Iedereen vroeg zich af wat of er aan de hand was, en al spoedig zagen we het. Rondom ons heen niets dan rotsen die 1 tot 2 meter boven de waterspiegel uitstaken. Als de boot, die een vlakke bodem had, hierop gelopen zou zijn, dan zou hij in weerwil van de luchtbakken, door de zware lading onmiddellijk volgelopen en gezonken zijn. Met veel gemanouvreer lukte het de stuurman de boot recht achteruit te doen lopen, totdat we uit de rotsenomsingeling waren. We gingen door, nu met minder snelheid en met een dubbele wacht. Van de kust werd telkens met lichtjes geknipperd. Waarschijnlijk smokkelaars, die hier een rendez-vous verwachtten.

In de buurt van Mempawah werden we aangehouden door een politieboot. Bij het horen van de naam Topam was alles evenwel voor elkaar en konden we door. Of het nu door de eerlijkheid of door het berucht zijn komt weet ik niet, maar iedereen kent de naam Topam en heeft er respect voor.

Alles ging nog goed, totdat tegen een uur of vijf de boot op een zandbank stootte en vastliep. Lang werd er gezwoegd en gezweten, de motoren draaiden op volle toeren en heel langzaam schoot de boot los. Gelukkig, ook hier hadden we het gefikst. Misschien meer geluk dan wijsheid, in ieder geval namen alle landrotten hun petje af voor de bemanning van de boot.

Alles ging verder goed tot bij de ingang van de "Kapoeas Ketjil", de rivier waaraan Pontianak is gelegen. Hier schoot de boot met een 15 mijls vaartje door een aantal vissersnetten. "kassian, pech gehad". Bij de intocht in Pontianak had onze schuit veel bekijks, want de bemanning had tijdens de reis de boot een kleurtje gegeven, zodat het nu een logge oranje massa was.

Voor mij was het tournee hier voorlopig ten einde, want ik moest tesamen met m'n been hier het ziekenhuis in.

J.H.W.M.

12. Naar Zuidwest-Borneo

Eindelijk was de dag aangebroken, dat ik uit het hospitaal ontslagen, weer op de boot kon stappen naar mijn team. Volgens de laatste berichten waren ze in het binnenland afgemeten en waren op weg naar Ketapang.

Toen we daar dan ook aankwamen, zaten ze reeds vorstelijk geïnstalleerd in het huis van de radja. Jammer genoeg bleven we maar even. Precies te kort om iets te zien van Ketapang zelf.

Het nu te meten punt lag 10 K.M. van Kendawangan af. Een prima strand; met palmen en dennetjes broederlijk naast elkaar. Volgens onze mening mooier dan Scheveningen. U begrijpt dan natuurlijk ook wel, dat wij met ons plukje mensen ons heerlijk hebben vermaakt op dat meer dan 100 K.M. volkomen stille strand. 's Avonds tegen schemering gingen we jagen. Zo nu en dan hadden we per dag 2 varkens. Het krioelt hier van dat ongedierte. We leefden daar dan ook in een vacantiestemming, totdat … wij vertrokken.

Toen begon de misère, alles ging goed in het begin, maar toen we om de Z.W.-punt van Borneo heen wilden varen, bleek dat door de hevige wind en de golven niet mogelijk te zijn. Onze enige mogelijkheid was dus: "Terug naar Ketapang". Maar tijdens de terugreis nam de wind in kracht toe en daar een L.C.M. geen kiel heeft, werden we naar de kust gedreven en op 't strand gegooid. Gelukkig lagen er op dat punt geen rotsen, was dat het geval geweest, dan waren we nu misschien 'wijlen'. Intussen waren we zover het strand opgedreven, dat hier bestond uit een 1 meter dikke laag vieze modder, dat we bijna stil lagen. We gingen dus maar rustig slapen om kracht te verzamelen voor de volgende dag. Maar toen we 's ochtends wakker werden, verdween onze kracht bij het zien van de onmetelijke zand- of beter moddervlakte, waarop we lagen.

Er was geen denken aan om weg te kunnen, en omdat we op maar 20 K.M. afstand lagen van Pelang, waar we ook nog meten moesten, besloten de kapitein en ik om nu maar te gaan. Wij dus door de modder gebaggerd, de instrumenten ook aan land laten slepen en naar Pelang getippeld.

Pelang zelf ligt dichtbij de kust, er wonen Maleiers en enkele Chinezen, die ons allervriendelijkst ontvingen en direct met klappers aankwamen. We lieten 3 tenten opslaan en alles leek ons mooi toe, totdat … er een koelie bij ons kwam met rode ogen, terwijl hij niets meer zag. Even later kwam no. 2 ook al. Later bleek dat het sap van een der struiken tijdelijke blindheid veroorzaakt als het dicht bij je ogen komt.

Maar de meeste pret kwam 's avonds nog. Om 11 uur riep de kapitein me wakker met de kreet dat het leek of de grond bewoog. De center aangestoken en ik keek onder m'n klamboe uit. Laat het nu wemelen van de krabben. Van 2 cM. tot 10 cM. doorsnee. Vreselijker dieren heb ik nooit gezien. Vuil-bruin, lange scharen, gewoon misselijk werd je ervan. Met het besef dat je er toch niets aan doen kon, ben ik maar weer gaan slapen en 's ochtends was de massa weer in die grote gaten gekropen. Nu wisten we ook waar die voor dienden.

Na 3 dagen waren we hier ook klaar en nu zitten we in Ketapang te wachten op koelie-voeding en vertrekken dan diep het binnenland in, weer naar de Dajaks, waar het eerlijk gezegd niet gek is, vooral als het dorpshoofd je zijn dochter ten huwelijk geeft, al of niet met 2 kinderen.

J.H.W.M.

13. Kerstmis in de oeloeh

Wekenlang hebben we hier al op dit punt gezeten midden in de rimboe van Borneo. Nog nooit hebben de mensen in deze kampong een blanke gezien. Trouwens de kampong ligt nog 15 K.M. weg. Hier op dit kale plekje hebben we zitten wachten op maar één helder nachtje, maar de regentijd is ingevallen en het was telkens bewolkt en regen.

Eindelijk nu op de vooravond van Kerstmis is het helder. De vooravond van Kerstmis … hier staat eenvoudig de nacht van 24 op 25 December, en toch morgen is het Kerstmis …!

Wat kan dat thuis altijd gezellig zijn. Nu zullen ze wel bezig zijn om de kerstboom en het kribje te plaatsen. We schelen immers 7 uur met thuis. Vroeger was het mijn werk, nu zal Vader het wel doen. Ja, daar komt de ster in de kijker!

"Attentie! Tweede draad gepasseerd!" Het meten gaat door! … Tik".

"Volgende ster! 282¼ graad. Grootte 2.8. Komt over 3½ minuut!"

Ja, ze zullen allemaal wel thuis zijn. Buiten begint het al donker te worden. Moeder steekt de lamp aan. De kachel brandt lekker.

"Attentie! 2e draad gepasseerd! … Tik!"

Het meten gaat door, 4 uur is het nu. Als ik nu thuis was, zou m'n Vader me wakker maken om mee te gaan naar de Nachtmis. In gedachten maak ik alles weer mee. De thuiskomst erna. M'n Moeder en m'n zusjes die al opgestaan waren, eerst "Zalig Kerstfeest" wensen. Dan aan tafel. Zoals vanouds bloed- en leverworst.

Hé, we zijn niet meer aan het meten. M'n kameraad zit ook stil voor zich uit te kijken. Zijn gedachten zijn natuurlijk ook bij thuis.

"Allo, joh, een Gelukkig Kerstfeest, ook al zitten we hier in de oeloeh, en volgend jaar Kerstmis thuis".

Ja, het is Kerstmis en ook al zitten we hier met ons tweeën plus enkele Indonesische spiegelaars tussen de Dajaks, toch is het Kerstmis … ook voor ons!

J.H.W.M.

14. Iets over Dajaks

Tijdens de "wandeling" door Borneo's bossen en alang-alang velden (velden met hoog scherp gras!) onder het tropische zonnetje, die haar stralen zo lekker op je neer kan laten kelderen, vroeg ik me wel eens af hoe het kwam dat soms middenin het oerwoud, of hoetan zoals het hier heet, uitgestrekte soms wel kilometers lange alang-alang velden verzeild raakten. Hierop kreeg ik na terugkomst in de bewoonde wereld een antwoord.

De Dajaks hebben geen sawah's dus moeten zij ladangs bebouwen. Daartoe maken ze een vuurtje op een geschikte plaats in het oerbos en gaan weg, aan de regen overlatend hoe lang hij het vuur wil laten doorbranden. Is de zaak geblust, dan gaat hij eens kijken welk stuk hij het best gebruiken kan. Of er dood hout of metersdikke stammen op ligt of tussen staat is geen bezwaar. Hij neemt de rijst en zaait ze, bouwt een huisje en trekt er met zijn gezin in, wachtend op de oogst. Zo'n ladang gebruikt hij het volgend jaar weer, na dezelfde plek nog eens aangestoken te hebben, maar dan is het genoeg. Vee heeft hij niet, bemesting kent-ie niet, dus gaat maar weer eens uitkijken naar een ander stukje grond. Op deze manier worden stukken grond soms van 100 tot 200 K.M.2 door de steeds weer terugkerende jaarlijkse brand omgezet in dode grond, waarop de alang-alang welig tiert.

Toen onze mantri eens een Dajak vertelde dat, als hij de zaak bemestte, hij altijd 't zelfde lapje grond kon bebouwen, merkte deze op: "Waarom al die moeite, op de eerste plaats heb ik geen koeien, en op de tweede plaats gaat het zo veel gemakkelijker, waarom zal ik dan gaan mesten?" De mantri maakte hem duidelijk, wat je al niet aan koeien had: "melk, vlees, mest, de ploeg trekken, voor de kar spannen enz. en zei erbij dat varkens houden ook niet gek was. Toen zat onze Dajak heel lang te denken en zei: "Maar wat heb je nu toch aan varkens, je kunt ze niet melken, eten kun je ze wel, maar voor een kar spannen en de ploeg laten trekken gaat toch niet!" Over zo'n kostelijke inval heeft hij en de hele kampong met hem die ganse avond gelachen.

Dat een mens toch op zoiets geks kan komen, hoe was het mogelijk! Een echt kinderlijk volkje wat lachend door het leven gaat, maar met een innerlijke beschaving, waar Europeanen nog van leren kunnen. Tijdens ons bezoek aan een Dajakse kampong werden wij vanzelfsprekend beschouwd als gast en alles regelde zich naar ons. Niemand ging naar bed, voordat wij gingen slapen. Als iemand even naar z'n ladang wilde, vroeg hij eerst even toestemming enz. Neen, het zal me spijten als we ons laatste punt afgemeten hebben en ik terug moet naar Bandoeng.

J.H.W.M.

15. Iets over Dajaks (2)

Over de Dajaks heb ik maar een oordeel n.l. een goedhartig, leuk en trouw volkje. Hun ontwikkeling is niet erg groot (je kunt hen zelfs wijsmaken dat er in de radio kleine mensjes zitten!), maar behulpzaam zijn ze zeker. Hun enige fout is hun luiheid, maar hierover straks meer.

De Dajaks in het binnenland, dus niet zij die veel in aanraking komen met Maleiers, enz., gaan gekleed in boomschors, de mannen in een soort broekje, de vrouwen in rokje en de kinderen in oorbelletjes. Hun woning staat pl.m. 2 meter hoog op palen en een boomstam met inkervingen verschaft de toegang. De mannen werken zo'n beetje op de ladang (een soort droog rijstveld!), vissen een beetje en doen eveneens iets aan jagen. De vrouwen hoeven niets anders te doen dan te koken en de kinderen groot te brengen. Zijn ze groot dan zorgt papa er wel voor dat ze aan het werk of aan de man komen. Toch moet u niet denken dat ze niet gek zijn met hun vrouwen. Integendeel, met eten of drinken geldt het bij iedere stam: Eerst de vrouwen!

Maar het allermooiste zijn hun namen. Vermoedelijk gehoord van de een of ander, zijn er de volgende namen o.a. te vinden: Accu, Versnellingsbak, Boezi (bougi), Radio, C-linder en Compagnie.

In Sengkoewan a.d. Soengai Silat, waar wij moesten meten, werden we ontvangen door de demong met de notabelen. Volgens Dajakse adat kwamen zij ons 2 bordjes rijst met een ei erin aanbieden, met de verzekering, dat zij vereerd waren dat wij in hun kampong wilden blijven, dat zij ons zouden helpen en over 5 dagen een feest ter onzer ere zouden aanrichten. En zij hebben woord gehouden ook. In de 14 dagen dat wij er gezeten hebben, nuttigden de kapitein en ik 16 kippen, 2 wilde varkens en een half hert, benevens een stuk of 40 eieren. Nu heeft dat hun zoveel niet gekost, want je loopt 10 minuten uit de kampong en je ziet de herten en wilde zwijnen wegrennen.

Het feest was prachtig. Eerst 's middags een visfeest. Hiertoe wordt de bast van een bepaalde liaan ontdaan van het sap, dat een verlammende werking heeft. Als ze een paar prauwen vol hebben van dat vocht, worden deze omgegooid en het hele dorp tippelt met het witgekleurde water mee en spiest de vissen, die verdoofd boven komen drijven, aan hun serampangs. Het vergif trekt heel gauw weg naar het grote water. De vissen die voor het vergiftigde water uitzwemmen en ontkomen, vragen dan aan de zeegod om regen. Dit visfeest was niet ter onzer ere, maar moest regen brengen. Het werd nu gegeven omdat de rijst op de ladang stond te verdrogen en de regen maar niet wilde komen.

Tegen half 4 gingen we terug. We waren inmiddels al ver afgedwaald en het was 5 uur en we waren precies thuis of het begon te gieten of het met bakken vol uit de lucht gegooid werd. De volgende dag vertelde onze mantri ons, dat de kampong hem had verteld dat wij toch wel geluk aan moesten brengen, omdat ze ten eerste na ons vertrek ook niet één vis meer gevangen hadden en 2e omdat juist toen wij thuis waren het was beginnen te regenen.

Vanaf dat moment begon de grote stroom geschenken pas goed. Zelf kreeg ik nog van een dankbare patient, wiens kind ik van wormen had afgeholpen, een toembak van meer dan 300 jaar oud. Volgens de overlevering uit de familie, was deze uit een land Modjopait. Modjopait was vroeger een Javaans rijk. Is dit juist, waar ik wel aan twijfel, dan is dit wel een heel erg kostbaar geschenk.

Het feest ter onzer ere was buitengewoon goed. De toewak (een gemeen soort arak, waar wij zelf ook niet onderuit kwamen) vloeide rijkelijk en de stemming steeg naarmate het later werd. Jammer dat het tegen 3 uur 's nachts weer begon te regenen, zodat het feest eindigde.

De Dajakse vrouwen hebben hier hun reidansen, welke fantastisch mooi zijn en harmonieëren met het gedreun der trommen en de stampende zwaarbezopen heren.

Overvloedig was de rijst enz. bij ons vertrek en omdat wij ook niet achter konden blijven, gaven wij hun enkele waarlijk vorstelijk geschenken, n.l. blikken. Doodgewone blikken, die voor die mensen meer betekenen dan welk bedrag aan geld ook.

J.H.W.M.